Was te zien bij de VARA op

Was te zien bij de VARA op

Arbeiderssport is massasport

  • arbolympiadevp
    Rond de eeuwwisseling veranderde sporten van een elitaire bezigheid in een manier om de arbeider te verheffen, als tegenwicht voor geestdodend werk.

    De meeste sporten werden vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in Nederland geïntroduceerd. Sporten was vooral een tijdspassering voor de elite. Rijke mensen hadden er namelijk de tijd en het geld voor. Voetbal, bijvoorbeeld, werd naar Nederland gebracht door de textielbaron Van Heek. Toen de arbeiders dankzij eigen inzet en inspanning meer vrije tijd kregen, verschoof sport echter langzaam van elitair vermaak naar massale vrijetijdsbesteding van de volksklasse. Sport werd gezien als het tegenwicht voor het geestdodende werk in de moderne industrie.

    ‘Ontroerend was het heerlijke enthousiasme, waarmede onze kinderen zich overgaven aan de sport, die thans ook hun deel kan worden....’

    Teamsporten als voetbal (geïmporteerd uit Engeland) en handbal (geïmporteerd uit Duitsland) deden het erg goed als arbeiderssport. Turnen en zwemmen waren het populairst. Maar uiteindelijk ging het bij iedere sport om de lichaamsbeweging van de arbeider. Dat was ‘de lichamelijke scholing van de arbeidersklasse’. Inclusief vrouwen. Dat was bijzonder, want ‘burgerlijke’ sportbonden lieten geen vrouwen toe. Sport werd dus werkelijk een massale bezigheid.

    ‘Wij wensen een arbeiderssportbeweging die gegrondvest is, niet op recordverrichtingen, sensatie of individualisme zoals in de burgerlijke sportbeweging doch wij wensen een beweging met een zo groot mogelijke massasport…’

    Arbeiderssport zou arbeiderssport niet zijn als het gevoel van een internationale verbondenheid met lotgenoten niet werd benadrukt. Daar dienden de Internationale Arbeidersolympiades dan weer voor. Sportolympiades waren het middel om de vredeswil en ‘internationale kameraadschap’ te bevorderen. Het waren alternatieve olympiades waarbij arbeiderssportbonden uit verschillende landen bij elkaar kwamen. De spelen openden met een optocht, met vaandels en fakkels, door de stad waar de wedstrijden gespeeld zouden worden. De wedstrijden gingen uiteraard niet om de nationale eer, maar om de internationale verbroedering.

    ‘Ik raapte eens ’n bal op, die out was, toen ’n schonkig athleet van de tegenpartij met deindende borstklampen me toesnauwde: “Blijf d’r af potverdomme, da’s mijn bal”, daarbij naar het iets kwaads vermoedende voorwerp met z’n nachtportiersknuisten grissend. Nu exemplair zijn, dacht ik… Dies, zei ik minzaamst tot den ruigen, onbekenden vreemdeling, hem het vurig ding aanreikend: “Hier, schat, huil maar niet, je mag er wel mee spelen”.’ Dit was een belangrijk gebaar, gezien de idealen van vrede en kameraadschap.

    De arbeiderssportbeweging was dus vooral een tegenbeweging. Geen recordjagerij, geen sportheldenverering en geen chauvinistisch toneel zoals dat bij de ‘burgersport’ ging. Het ging om lichaamsbeweging, om broederschap en om vrede. En natuurlijk kon de arbeider nu ook eindelijk een beetje genieten van het leven, zónder dronken te zijn.

Achtergrond

Terug naar boven