Was te zien bij de VARA op

Was te zien bij de VARA op

Beter wonen

  • hetlevenvp
    Het lot van de arbeider hing nauw samen met zijn woonsituatie. De arbeider moest weg uit de krottenwijken.

    ‘Goedkope, maar nette meubelen, een huisdier, een vogel, het zijn alle middelen, die aan het huis verbinden en den man uit de kroeg houden.

    Zo zag Tweede Kamerlid Jeronimo de Bosch Kemper het ‘t liefst, in zijn onderzoek naar de armoede in Nederland (1851). Het citaat laat zien hoe het denken van gewone burgers over armoede veranderde. Met de toenemende verstedelijking kwam de burgerij namelijk steeds meer in aanraking met de armen en hun armzalige woonomstandigheden, en de ‘nette mensen’ zagen het als hun taak om hun eigen burgerlijke idealen op de onderklasse over te brengen.

    De burgerij in Nederland kende al een lange traditie van volksopvoeding, zoals dat heette. De gedachte was dat het volk beschaving moest worden bijgebracht, omdat de mensen anders maar zouden vervallen in onzedelijkheid. De overheid zag dit ook als een taak van de burgers. De ‘vrijverklaarde armenklasse’ moest immers nog leren hoe ze met die vrijheid om ging. Een effectief middel om dat te leren was door aan het werk te gaan. Zo ontstonden al vroeg de armenhuizen en armenfabrieken, en later ook de veenkoloniën, waar de armen bij wijze van experiment in groten getale heen werden gestuurd on te werken in de turfproductie.

    Honger en cholera-epidemieën vormden voor veel mensen een terugkerend gevaar, versterkt door de vaak smerige krotten waar men opeengestapeld leefde. Hele gezinnen woonden in één kamer, en de emmer met uitwerpselen stond onder de bedstee. Rond het midden van de negentiende eeuw gingen medici de relatie zien tussen deze factoren, en men besefte dat niet alleen opvoeding, maar ook een daadwerkelijke verbetering van de omstandigheden noodzakelijk was om de armen te ‘verheffen’.
    In de buurlanden (waar de industrialisatie eerder was begonnen) bestond al eerder animo voor een verbetering van de omstandigheden, al was het vanuit de gedachte dat ‘de arbeider, evenals de machine een goed onderkomen behoeft, wil hij veel produceren.’ Het zogenaamde ideaal van morele verheffing blijkt daar ingehaald door kapitalistische motieven. Dat betekende wel dat de huisvesting eerder aangepakt werd dan in Nederland.

    Pas in 1901 werd met de Woonwet paal en perk gesteld aan de sloppen en krotten in Nederland. De wet maakte ook een einde aan de bouw van slechte huizen, die in de jaren rond 1870 massaal verrezen. In die tijd werden door speculatie en goedkope kredieten veel woonblokken gebouwd, die soms binnen enkele decennia al instortten.

Achtergrond

Terug naar boven