Was te zien bij de VARA op

Was te zien bij de VARA op

Drinkende arbeiders denken niet

  • achvadervp
    Socialisten zagen in geheelonthouding een manier om het welzijn van de arbeiders te verbeteren.

    Achteraf hebben mensen vaak de neiging om hun verleden te romantiseren. Hoewel de anonieme hoofdpersoon in dit dagboekcitaat luchtig praat over zijn leven als bankwerker in Rotterdam (rond 1880), is het beeld schokkend:

    ‘Er werd heel veel gedronken ja. De mensen zopen uit armoe. Vooral in de tijd van Hendrik Figee was het bar. Die ging met de jeneverfles door de fabriek. Die borreltjes werden natuurlijk wel afgetrokken.‘

    Zo hield de directeur zijn werkvolk letterlijk aan de fles. Het plaatst de verbazing van de ‘nette mensen’, de burgerij, over drankmisbruik bij de armen in een ander licht.

    ‘Aan de Brouwersvaart had je hier een kroegje, vlak naast de fabriek. Daar stond ‘s middags een grote tafel met zo’n vijftig, zestig borreltjes erop. Na het werk wipten ze daar allemaal even langs en hup gauw een slokkie voor ze naar huis gingen. En dan was het zaterdags afrekenen. In die kroeg. Een rij bij de vent die uitbetaalde en een rij voor de tapkast om hun schuld te betalen.’

    De burgerij zag alcoholisme als een zwakte, die bestreden kon worden. Bij sommige gezinnen was drankgebruik sterk ingeburgerd. Dat kon rampzalige gevolgen hebben voor gezinnen: papa redeloos, mama radeloos, en al het geld werd opgedronken in de kroeg. Natuurlijk is dit een overtrokken beeld. Wel laten de cijfers een toename zien per hoofd van de bevolking van het drankgebruik tussen 1860 en 1900. Blijkbaar werd het stijgende loon met liefde in de kroeg uitgegeven.

    Allerlei groepen gingen zich bezighouden met het welzijn van de arbeiders, en velen zagen in drankmisbruik een grote vijand. De socialistische voormannen waren zelf vaak geheelonthouder en wilden dat hun volgers dat ook waren. Drankbestrijders organiseerden optochten en alcoholvrije kermissen. Er werden koffiehuizen opgericht, waar geen alcohol werd geschonken en waar de arbeider zijn vrije uurtjes nuchter kon doorbrengen. Domela Nieuwenhuis’ adagium luidde niet voor niets: Denkende arbeiders drinken niet, drinkende arbeiders denken niet.

    Drankbestrijders deden hun werk vanuit een overtuiging en verdienden er in de regel niet aan. Sommige van deze strijders zetten de eerste stappen naar een professionele verslavingszorg in Nederland. Voor die tijd werden dronkaards simpelweg opgesloten in rijkswerkinrichtingen, zoals Veenhuizen, Hoorn en Leiden (voor vrouwen).

Achtergrond

Terug naar boven