Was te zien bij de VARA op

Was te zien bij de VARA op

Eduard Jacobs

  • eduardjacobsvp
    In café Het Wapen van Habsburg bracht Eduard Jacobs eind 19e eeuw kritische liederen ten gehore, waar niet iedereen even blij mee was.

    In de nacht van 15 op 16 juni 1980 ontplofte een huis in de Quellijnstraat, in de Amsterdamse Pijp. De Telegraaf wist al snel te melden dat het hier ging om het hoofdkwartier van een van de leiders van de Rode Jeugd, die onvoorzichtig zou zijn geweest met explosieven. De bewuste bewoner zelf hield het overigens op een lekkende geiser. Welke van de twee versies klopt is nooit opgehelderd. Op de plek van het verwoeste pand verrees later een buurtcentrum.

    Vermoedelijk is het puur toeval dat 85 jaar eerder op hetzelfde adres een artistiek bommetje tot ontploffing werd gebracht: het Nederlandse cabaret werd geboren op Quellijnstraat 64. In nachtcafé Het Wapen van Habsburg begon Eduard Jacobs in dat jaar voorstellingen te geven waarin hij kritische liederen ten gehore bracht, zichzelf begeleidend op de piano.

    Jacobs was in 1864 geboren in een muzikaal maar armoedig joods milieu in Amsterdam. Na de vroege dood van zijn vader moest er brood op de plank, en Jacobs vond werk bij een diamantslijper. Daar kwam hij in aanraking met socialistische leiders als Henri Polak en Jan van Zutphen, en hij raakte onder de indruk van hun wereldbeschouwing. Later zou hij zich dan ook aansluiten bij de SDAP, die in 1894 werd opgericht.

    Op 22-jarige leeftijd vertrok Jacobs op de bonnefooi naar Parijs, gehoor gevend aan zijn muzikale roeping. Daar werkte hij een aantal jaren als pianist, en maakte hij kennis met het cabaret-artistique van Aristide Bruant. Terug in Nederland volgde hij diens voorbeeld, en streek hij neer in De Pijp. In zijn liedjes nam hij bankiers op de korrel, die hun geld verdienden over de rug van het ploeterend werkvolk, en vooral zijn felrealistische teksten over de prostitutie (die welig tierde in de buurt) deden veel stof opwaaien. Hier deed hij zijn bijnaam ‘de minstreel van de mesthoop’ op.

    Jacobs’ hield het tien jaar vol in de Quellijnstraat. De overheid maakte hem het optreden steeds lastiger, vooral zijn liedjes over hoeren en hoerenlopers ondervonden veel hinder van de steeds strengere zedelijkheidwetten.  Jacobs’ gezondheid werd slechter, en hij stierf jong, in 1914. Dat hij met zijn liedjes sociale misstanden over het voetlicht bracht en aan de kaak stelde, maakt hem tot de aartsvader van een typisch Nederlands theatergenre.  Een explosief genre, het cabaret.

Achtergrond

Terug naar boven