Was te zien bij de VARA op

Was te zien bij de VARA op

De parlementaire enquête

  • enquete voorp
    In 1886 en 1887 doet de Tweede Kamer onderzoek naar de omstandigheden waaronder arbeiders hun werk moeten doen in fabrieken. De uitkomsten zijn schokkend.

    Al vanaf de jaren zestig van de 19e eeuw werd veel geklaagd over het werk in de fabrieken en werkplaatsen. De fabrieksbazen zouden zich als tirannen gedragen, zonder oog voor het welzijn van hun werknemers. Hoewel er al in 1874 een wet was gekomen op kinderarbeid, werd deze amper nageleefd en was kinderarbeid in veel fabrieken aan de orde van de dag. Sterker nog, kinderen werden beschouwd als handige werknemers die onder de grote machines konden kruipen, potten uit hete ovens konden halen, of met hun kleine vingers de klossen van de weefgetouwen los konden peuteren. Vaak was het werk heel gevaarlijk en werden de arbeiders niet oud.

    Tot grote nationale verontwaardiging kwam het pas na de parlementaire enquête van 1887 waarin fabrieksbazen en arbeiders werden ondervraagd. Het verhoor van 54 arbeiders bracht zaken aan het licht, die zelfs de commissieleden versteld deden staan. De fabrieksdirecteuren bagatelliseerden het kwaad, maar ontkenden het niet. Berucht was de familie van grootindustriëlen Regout uit Maastricht, die in haar fabrieken veel vrouwen- en kinderarbeid lieten bestaan. Volgens veel werkgevers was het tewerkstellen van kinderen noodzaak, juist voor de arbeiders zelf. De vaak grote gezinnen hadden moeite om rond te komen, en het extra inkomen wat de kinderen opbrachten was hard nodig. Een algemene loonsverhoging was onbespreekbaar, omdat dit volgens de directies de industrie kapot zou maken. Kinderarbeid bood dus uitkomst.

    Veel arbeiders durfden niet te getuigen tegen hun bazen, uit angst hun werk of hun door de fabriek ter beschikking gestelde huisvesting te verliezen. Klaas Ris, een voorloper van de socialistische beweging, was al werkloos en durfde wel. Zijn klacht, dat de duizenden werklozen in de stad zelfs het recht niet hadden om dood te hongeren, omdat de huisbaas of politie dat niet toelieten, maakte veel indruk: ‘Ben ik toch geen Nederlander? Heb ik geen recht om te leven, welnu, maak mij dan af als een ziek stuk vee. Doet men dat niet dan moet men mij de middelen geven om te kunnen leven.’

    De enquête zou de aanzet leveren tot enkele wetten, die het werk in de fabrieken moesten verlichten. Uiteindelijk zou vooral de invoering van de leerplicht in 1901 een uitkomst bieden in het oplossen van de kinderarbeid, en maatregelen zoals de oprichting van de arbeidsinspectie en de Veiligheidswet (1895) zorgden ook voor de verbetering van de positie van de arbeiders.

     

Achtergrond

Terug naar boven