Was te zien bij de VARA op

Was te zien bij de VARA op

Geertje Kleefstra

  • kleefstra vp
    Geertje Kleefstra was een van de weinige vrouwen die het woord voerden bij socialistische bijeenkomsten.

    Op affiches voor socialistische bijeenkomsten eind 19e eeuw prijkte naast grote namen als Tjerk Luitjes, Troelstra, Vliegen en Domela Nieuwenhuis ook de opvallende naam van Mej. Geertje Kleefstra (1874-1962). Op een van die bijeenkomsten in 1896 sprak de jonge Geertje de volgende woorden over Koningin-Regentes Emma:

    “Hoe kan de proletariër eerbied hebben voor marionetten, voor ja-knikkende menschen die niets hebben te zeggen, voor de Koningin-Regentes die in de Troonrede zei dat de toestand van het volk bevredigend is, terwijl het volk honger lijdt, Kan nu de proletariër voor zoo iemand, want dommer schepsel is er wel niet, eerbied koesteren?”

    Het leverde haar grote populariteit onder de arbeiders, maar ook een aanklacht wegens Majesteitsschennis en 6 maanden gevangenisstraf op.

    Al op jonge leeftijd werd Geertje actief in de socialistische beweging. Ze werd hiertoe aangespoord door haar vader, die volgeling van Domela Nieuwenhuis en voorzitter van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht in hun Friese woonplaats Roordahuizum was. Geertje bleek talent voor toneel te hebben en al op haar achttiende luisterde ze socialistische propaganda-avonden op. Nadat op zo’n avond eerst felle socialistische redevoeringen gehouden werden was het tijd voor een politieke en/of komische voordracht van Geertje. Zo zong ze eens, omringd door arbeiders met rode mutsen en verkleed als de Franse maagd Marianne, het vrijheidslied op de melodie van het Franse volkslied de Marseillaise.

    Al snel begon ze ook zelf te spreken. Ze sprak over wat de socialisten wilden en over vrouwen en het socialisme. Het was niet zozeer de inhoud van haar betogen die de arbeiders aansprak, maar wel haar manier van optreden. Ook durfde ze te provoceren. Zo werd ze in 1895 al eens veroordeeld tot een maand gevangenisstraf wegens het uitdelen van beledigende pamfletten over de burgemeester van Arnhem. Het was ook dit provoceren, of wellicht was het jeugdig enthousiasme en het niet goed kunnen inschatten van waar de grenzen lagen, dat haar naar België deed vluchten. De zes maanden gevangenisstraf die ze kreeg vanwege majesteitsschennis zat ze namelijk nooit uit. Ze wist te ontsnappen naar Luik, waar ze waarschijnlijk in grote armoede moest leven en zelfs in de prostitutie terechtkwam. Uiteindelijk trouwde ze in 1909 in Parijs met een rijke handelaar. Zijn rijkdom maakte van haar een echte dame die, de paar keer dat ze nog bij haar familie in Friesland op bezoek kwam, niet meer over haar revolutionaire periode wilde spreken.

Achtergrond

Terug naar boven