Was te zien bij de VARA op

Was te zien bij de VARA op

Het palingoproer

  • palingtrekkenvp
    Toen de politie in 1885 een wedstrijdje palingtrekken wilde verbieden, ontstond er ophef en raakte een agent gewond. Een tweedaags slagveld was het gevolg.

    Na het Damoproer van 1848 kwam in 1885 andermaal de dreiging van een revolutie dichtbij. Hoewel het na het Damoproer lang rustig bleef, was het socialisme niet van het toneel verdwenen. De oprichting van de Sociaal Democratische Bond en de optredens van Ferdinand Domela Nieuwenhuis hadden het socialistisch denken over Nederland verspreid, en in de jaren tachtig van de 19e eeuw verkeerde het land in een politieke en economische crisis. De burgerij liet het na om, zoals gebruikelijk in kwade tijden, het arme volk te hulp te komen en in Amsterdam kwam het dan ook onvermijdelijk tot verzet.

    De politie had een slechte reputatie in de Amsterdamse volksbuurten. Willekeur en overdadig geweld waren veelgehoorde klachten, en de structurele onderbemanning maakte het voor de politie ook geen gemakkelijke zaak. Dat justitie Nieuwenhuis een jaar de gevangenis in wist te krijgen (Domela werd veroordeeld wegens majesteitsschennis), maakte van hem alleen maar meer een martelaar.

    Ook de eigen volkstradities zagen mensen als verworven rechten die zij moesten verdedigen tegen de heersende klasse. Het Palingoproer dat in 1886 spontaan de kop op stak is hier een goed voorbeeld van. Een menigte had een touw gespannen, met daaraan een paling bevestigd die er door waaghalzen in een bootje afgetrokken moest worden. Zes gulden was de beloning. Toen de politie dit wilde verbieden, ontstond er ophef en raakte een agent gewond. Het geheel ontaardde in een tweedaags slagveld, waarbij straten van de Jordaan naar het voorbeeld van de Parijse Commune werden gebarricadeerd, en mensen met rode vlaggen en linten door de straten marcheerden, terwijl zij de Marseillaise zongen. Zo werden bestaande tradities gecombineerd met socialistische symbolen die men uit het buitenland overnam.

    Dat de socialisten achteraf de schuld kregen, was het resultaat van de heersende publieke opinie en het gebruik van de socialisten om zichzelf als martelaar te portretteren. In werkelijkheid was het een spontaan oproer, waarbij omstanders en toevallig passerende socialisten samen optrokken tegen de politie. Domela, die zelf in de stad was, nam als socialist openlijk afstand van de gebeurtenissen. Er waren 26 doden gevallen, maar het was geen ‘broodrevolutie’ geweest en er waren geen eisen gesteld. De socialisten wilden dit spontane oproer niet op hun conto bijgeschreven. Het ging hen dan ook niet om relletjes, maar om de algehele revolutie.

Achtergrond

Terug naar boven